Nathan MossMoedeloos sjokte Nathan over het bospad.
Diep in gedachten verzonken keek hij naar het patroon van het zonlicht dat
tussen de bladeren door op het zand
voor zijn voeten viel. Hij stopte even. “Ben je moe, oude vriend?” Nathan
keek op in het bezorgde gezicht van de Sjamaan van Moralltach. “Nee, ik ben
niet moe. Ik dacht even na.” De Sjamaan liet niets blijken van eventuele
ergernis en liep een stukje terug. Hij wist dat hij redelijk snel had gelopen,
en dat de oude Nathan hem niet altijd meer bij kon houden op hun lange
wandelingen door het enorme Woud van Zhon, maar hij wist bijna net zo goed als
Nathan dat dit de reden niet was van diens inhouden.
“Kom,
we gaan even zitten.” Ze liepen samen naar een met mos begroeide omgevallen
boom, naast het pad lag. De Sjamaan haalde een stuk brood en een veldfles uit
zijn ransel aan zijn riem. Hij brak een stuk brood af, en bood het zijn vriend
aan. “Nee dank je, ik heb geen honger”. De Sjamaan bleef hem het aanbieden.
“Kom op Nathan, jij hoeft jezelf toch niet dood te hongeren om mij?” Nathan
keek hem met verdrietige ogen aan, maar zweeg en pakte het stuk brood aan. Hij
keek er peinzend naar alsof het zijn enige uitweg was uit een moeilijke
situatie. “Ik snap het nog steeds niet,” zei hij. “En dat zul je
waarschijnlijk ook nooit helemaal doen. Toch moet ik jou vragen om me te helpen.
De anderen zouden het niet doen. Jij hebt het voor me over…” In gedachten
vulde de Sjamaan de zin nog aan: Omdat jij het meest om me geeft. Nathan had
blijkbaar hetzelfde gedacht, want hij zei droevig. “Terwijl het voor mij
waarschijnlijk het zwaarst zal zijn zonder jou.” “Ja, jij kent me het
langst.”
Tegelijk
dachten ze terug aan de omstandigheden waarin ze elkaar voor het eerst hadden
gezien, ruim een halve eeuw geleden. De Sjamaan, die toen nog geen Sjamaan was,
had er bijna hetzelfde uitgezien. Nathan, nog een jongeman van vijfentwintig,
had hem angstaanjagend gevonden met zijn indrukwekkende postuur, zwarte haar en
helderblauwe ogen. Toch hadden die ogen hem tot rust gebracht terwijl hij in het
veldhospitaal lag na de slag bij Mount Pharidon. Hij had wel door dat de man
geen officiële heler was, maar liet hem toch begaan. Sinds die dag had Nathan
hem terug willen betalen voor het redden van zijn leven, en was hij hem overal
gevolgd. En nu volgde hij hem naar zijn graf.
De
Sjamaan stond op. “Laten we verder gaan. We zijn er bijna.” En inderdaad, na
enige minuten lopen hielden ze stil op een open plek waarop vijf grote stenen
lagen in een kring. Nathan zuchtte en ging zitten op een van de stenen. Hij keek
om zich heen en zag de schoonheid van de natuur om hem heen. Het kon zijn gemoed
niet verlichten. De Sjamaan gebaarde hem op te staan, ging in de kring staan en
legde zijn hand op de steen. Hij sloot zijn ogen en wachtte. Toen opende hij ze
en zei: “Het is tijd.” “Moet je niets voorbereiden? Als ik het goed
begrepen heb is wat je vragen wil niet bepaald eenvoudig.” “Ik heb dit
ritueel in de afgelopen maanden al zorgvuldig voorbereid, ik hoefde de cirkel
enkel maar te activeren.” “En nu?” “Nu ga ik bidden tot Marutha. Ik stel
voor dat jij hetzelfde doet.”
Marutha,
de essentie van de natuur. En waar moest hij dan voor bidden? Nathan knielde,
vouwde zijn handen, sloot zijn ogen en huilde in stilte. Vanuit de rituele
cirkel sloegen de helderblauwe ogen van de Sjamaan hem gade. De stille tranen
van de oude man brachten ook zijn hart in beroering, maar hij was vastbesloten.
Hier moest het eindigen. Hier zou hij de godin die hij de afgelopen jaren trouw
had gediend smeken hem te verlossen van de vloek die al eonen op hem rustte.
Hier zou hij eindelijk rust vinden. Nathan zou er overheen komen. Dat doen
mensen. Dat had hijzelf zijn hele leven moeten doen bij elke geliefde die hem
ontviel.
De
Sjamaan sloot ook zijn ogen en riep Marutha aan in stilte. ‘Marutha, edele
vrouwe, oude vriendin, hoor mij aan. Ik heb U in vele vormen mogen aanschouwen,
op vele werelden en onder vele namen. Ik bid U, verlos mij van de vloek die mij
bindt. De vloek die mij opgelegd werd door Gilthanion, Vader der Goden, op de
wereld Ardenos. Op mijn thuiswereld was U, Cethrila, de enige die uw vader kon
weerstaan. Uw rustige kracht wist zijn furie te doorstaan tijdens de
Godenstrijd. Alstublieft, wendt U die macht aan om de diepste wens van een
trouwe dienaar te vervullen. Laat mij eindelijk rust vinden, en vergeving voor
de eerste en laatste zonde van mijn leven.’ Beelden van vroeger verschenen
voor zijn geestesoog. Zijn dode zuster. Zijn woede. De tempel. De arme mensen
die hem probeerden tegen te houden. Hij huilde niet. Deze keer niet. Hij bekeek
ze net als altijd, met enorme spijt, maar tegelijk met een afstandelijkheid die
hij niet eerder had ervaren. Hij was dan ook niet verrast of opgelucht toen hij
het antwoord op zijn bede hoorde. ‘Kom.’ En hij ging.
Het
begon te motregenen en Nathan opende zijn ogen. De Sjamaan was weg. De mooie dag
was veranderd in een grijze benauwde wereld, en Nathan werd zich pijnlijk bewust
van het effect van de vochtige lucht op zijn oude botten. De stilte om hem heen
maakte hem bewust van het lege gevoel in zijn lichaam. Later, later kon hij
rouwen. Nu moest hij eerst doen waarvoor hij hier was. Hij moest de kring
deactiveren. Hij stond op en voelde zijn lichaam zich verzetten. Zijn knieën
kraakten, de steken in zijn rug deden hem even aarzelen voordat hij een eerste
stap zette in de richting van de dichtstbijzijnde steen. Hij zette nog twee
stappen en strekte zijn hand uit naar het koude gladde oppervlak. “Was ik maar
weer vijfentwintig”, mompelde hij vermoeid terwijl hij de steen aanraakte.
Hij
draaide zich om en ging op de steen zitten. Hij had maanden gehad om zich op dit
moment voor te bereiden. Hij en de Sjamaan hadden veel gepraat op hun lange
wandelingen. Over de dood, het leven, alles. Met droefenis had hij geconstateerd
dat de Sjamaan het gesprek steeds vaker stuurde richting een filosofische
discussie over het hiernamaals. Niet dat Nathan er niet over na wilde denken.
Hij was een man van tweeënnegentig. Dergelijke onderwerpen hielden zich altijd
op aan de rand van zijn gedachten. Maar
zijn vriend, die in de kracht van zijn leven was, had het besluit genomen te
willen sterven, en daar wilde Nathan niet aan herinnerd worden.
“Weet
je,” had de Sjamaan op een dag tegen hem gezegd, “het maakt me eigenlijk ook
niet zo veel uit wat hierna komt. Ook al komt er niets meer, het geeft niet. Ik
heb genoeg meegemaakt.” “Maar geniet je dan niet meer van alles om je heen?
Je hebt mij geleerd om de waarde in te zien van alles wat jij straks weg gaat
gooien.” De Sjamaan lachte, “natuurlijk geniet ik nog van de wereld. Maar ik
ben ook moe. Ik ben op. Het is mooi geweest.” Om zijn vriend een beetje op te
vrolijken voegde hij eraan toe, “maar wie weet kom ik wel bij je spoken
straks.” Nathan kon met moeite een glimlach opbrengen.
Ze hadden het er later nog vaker over gehad en langzaam had Nathan
geaccepteerd dat zijn vriend er straks niet meer zou zijn. Maar de laatste uren
voor het ritueel had Nathan zijn vriend toch geprobeerd over te halen. Zijn
smeekbedes hadden niet geholpen. Het ritueel was uitgevoerd.
Hij
stond op. Hij had de steen nu lang genoeg aangeraakt om de magische cirkel op te
heffen. De regen werd heviger en spoelde het zout van zijn wangen terwijl Nathan
aan de lange weg naar de herberg begon. Tijdens het lopen merkte hij dat hij
minder vermoeid was dan hij had gedacht. Misschien was het het vooruitzicht van
het ritueel geweest, dat de heenweg zo vermoeiend had doen lijken. Hij zette er
een stevige pas in en probeerde te denken aan alle vrolijke momenten die hij
samen met zijn vriend had beleefd. De regen zou zijn tranen straks wel verbergen
voor de andere mensen in de herberg.
Ycarus zelf stond bij de deur met een
deken. “Gaat u maar bij het vuur zitten heer, en trekt zoveel mogelijk van die
natte kleren uit. De meid zal u een kom soep brengen.” “Dank je, Ycarus.”
De grote herbergier keek Nathan vragend aan terwijl hij hem naar de haard
begeleidde. “Heer? Bent u hier eerder geweest?” Nathan ging zitten en
antwoordde enigszins geïrriteerd. “Ik ben niet in de stemming voor spelletjes
Ycarus. Kun je een warm bad klaar laten zetten op mijn kamer?” Ycarus keek hem
aan alsof hij een geest was. “Maar heer. Wie bent u dan?” Nathan keek de man
aan, half verwachtend dat hij zijn bekende grijns zou laten zien die Nathan
onder andere omstandigheden wel had kunnen waarderen. Hij ging rechtop staan en
keek Ycarus boos aan. Nog voor hij iets kon zeggen, viel het hem echter opeens
op dat de grote man zo groot niet meer leek als vroeger. Ook werd hij zich er
opeens van bewust dat zijn priestersgewaad hem wel heel strak om de schouders
zat. Hij keek naar zijn handen en kreeg de schrik van zijn leven. “O
Goden..”
Ycarus,
die half en half vreesde met een halve gare te doen te hebben, deed een stap
achteruit in afwachting van de volgende verrassing van de kant van de
vreemdeling. Toen viel zijn oog op de symbolen op het gewaad van de man. “U
bent een priester van Surath, de god van de genezing.” “God van de
levenskracht,” verbeterde Nathan hem terwijl hij verbijsterd naar zijn handen
bleef staren. Ycarus dacht aan de oude Nathan, die ook altijd op deze manier
reageerde als hij de twee goden door elkaar haalde, en hij herkende opeens de
bekende trekken in het gezicht van de jongeman die hij nu voor zich zag. “Nathan!?
Ben jíj het? Wat is er met jou gebeurd?” Nathan stroopte zijn mouwen op en
bekeek zijn gespierde onderarmen. “Haal een spiegel voor me Ycarus.”
“Maar…” “Nu Ycarus!” Ycarus liep snel naar zijn eigen kamer en pakte
zijn scheerspiegel. Hij overhandigde hem aan Nathan die zijn eigen gezicht erin
bekeek.
Het
was zijn eigen gezicht. Precies zoals hij het zich herinnerde. Van voor de
veldslag dan, van voor het litteken over zijn neus dat hem later zo vertrouwd
was geworden. Hij herinnerde zich de woorden die hij gedachteloos had
uitgesproken bij het aanraken van de steen. Bij het loslaten van de magie.
“Vijfentwintig,” fluisterde hij. “Vijfentwintig.” Hij dacht aan de
lessen van de Sjamaan, over de onvoorspelbaarheid van de magie van een rituele
cirkel. “Oh nee, als ik het maar niet in de war gestuurd heb!” Hij zou het
zichzelf nooit kunnen vergeven als zijn vriend nu in een van de zeven hellen
ronddwaalde door zijn fout.
Ycarus
deed wat hem het beste leek, en zweeg. Hij bedwong zijn nieuwsgierigheid. Als
Nathan zijn gedaanteverandering later aan hem zou willen uitleggen, dan zou hij
het hele verhaal wel horen. Nu wenkte hij de meid en zei hij haar droge kleren
voor Nathan uit Ycarus’ eigen klerenkast te halen. Zelf ging hij naar de
stallen om twee paarden te zadelen voor de rit naar Lendra, het koninklijk
kasteel van Moralltach. Hij wist dat de zoektocht naar de antwoorden op de
vragen waar Nathan duidelijk mee zat, het beste daar begonnen kon worden.
Dergelijke ondernemingen begonnen nu eenmaal meestal daar, in de troonzaal van
het kasteel.
“Nee
Scorpion.. Als er een nieuwe Sjamaan opduikt, zal hij het druk genoeg krijgen
met andere dingen. Bovendien zal hij dan nog zoveel moeten leren, dat ik hem
niet eens zou durven vragen zo’n gevaarlijk ritueel uit te voeren.” Heer
Scorpion keek de jonge Nathan aan. Hij was niet gewend deze gebiedende toon te
accepteren van iemand met zo’n jong uiterlijk, maar hij herinnerde zich de
oude Nathan nog goed, en voor het temperament van die oude man had hij ontzag
gehad. “Dus je weet zeker dat je mee gaat? Het kan gevaarlijk zijn.”
Scorpion keek Blue-eye aan op zoek naar steun, maar ze keek strak voor zich uit
en leek zich niet in de discussie te willen mengen. Nathan bracht zijn paard op
gelijke hoogte met de grote hengst van heer Scorpion, en keek hem indringend
aan. “Jij hebt gezegd dat op die Vortex machtige ritualisten rondlopen die mij
kunnen leren hoe je zo’n ritueel doet. Ik moet erachter komen waar er met mijn
vriend gebeurd is. Ik móét daarheen Scorpion.” Hij wendde zijn gezicht af en
staarde vooruit over de weg. Gedachteloos speelde hij met de sikkel die aan zijn
gordel hing. Het was een geschenk geweest van de Sjamaan toen hij zich in een
ritueel aan Marutha had verbonden. Het was een van de weinige tastbare
herinneringen aan zijn oude vriend.